Deze website maakt gebruik van cookies. Lees meer of klik hier om te accepteren. Accepteren Lees meer

VCMB - Verbonden door creditmanagement kennis!
VCMB

Buitengerechtelijke incassokosten in B2B

Op 10 juli 2015 heeft de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen beantwoord over buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relaties, oftewel business to businessrelaties; de rechtsverhouding tussen twee professionele contractspartijen.

Het geschil: buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relaties

Het geschil waaruit de prejudiciële vragen voortvloeiden betrof een betalingsachterstand van de koper van een partij bouwmaterialen ( ‘schuldenaar’) aan de leverancier (‘schuldeiser’) ervan. De schuldenaar heeft vijf facturen, met een totaalbedrag van € 24.821,73 onbetaald gelaten. Na een aanmaning, waarbij de voornoemde hoofdsom, vermeerderd met rente en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 3.762,47 werd gevorderd, heeft de schuldenaar een bedrag van ruim € 23.500,– voldaan. De schuldeiser vorderde in rechte betaling van het resterende bedrag van € 5.333,10.

De schuldeiser stelde zich op het standpunt dat de gedane betalingen eerst in mindering strekken op de buitengerechtelijke kosten en de rente, en dan pas op de hoofdsom, zodat het gevorderde bedrag het onbetaald gebleven gedeelte van de hoofdsom is. De schuldeiser beroept zich op artikel 6:44 BW, waarin de imputatieregel is opgenomen:

“Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.”

De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat buitengerechtelijke kosten geen kosten zijn in de zin van art. 6:44 BW en dat de betalingen in mindering strekken op de verschenen rente en de hoofdsom. De gevorderde hoofdsom werd toegewezen tot een bedrag van € 1.296,24. Daarnaast wees de kantonrechter een bedrag van € 300,– toe voor buitengerechtelijke kosten.

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

In hoger beroep heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch aan de Hoge Raad prejudiciële vragen voorgelegd, met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten. De eerste vraag betrof de imputatieregel uit artikel 6:44 BW. De vraag was of buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ als bedoeld in artikel 6:44 BW. De andere vragen hadden betrekking op de bevoegdheid van de rechter tot ambtshalve matiging van bedongen buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relaties, en op de rechterlijke beoordelingsvrijheid bij de bepaling van de omvang van de buitengerechtelijke incassokosten.

Imputatieregel art. 6:44 BW

Voor wat betreft de eerste vraag heeft de Hoge Raad geoordeeld dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ in artikel 6:44 BW. Dat betekent dat wanneer buitengerechtelijke incassokosten in rekening zijn gebracht bovenop de gevorderde hoofdsom, een betaling eerst in mindering mag worden gebracht op deze incassokosten, voordat wordt toegekomen aan inlossing van de hoofdsom. De ratio daarachter is dat artikel 6:44 BW de schuldeiser beschermt tegen schade. Het belang van de schuldeiser weegt zwaarder dan het belang van de niet tijdig betalende schuldenaar, aldus de Hoge Raad.

De overige prejudiciële vragen hebben betrekking op contractueel overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten. In algemene voorwaarden wordt vaak een bepaling opgenomen over de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten bij wanbetaling. In de bouwsector wordt bijvoorbeeld vaak een percentage van 15 % van de verschuldigde hoofdsom gehanteerd, zoals ook in dit geschil aan de orde was. De kantonrechter is in deze zaak echter overgegaan tot matiging van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten naar € 300,–, tegen welke beslissing de schuldeiser mede in hoger beroep is gegaan.

Matigingsbevoegdheid en BIK-staffel

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft aan de Hoge Raad vragen voorgelegd over de bevoegdheid tot matiging en de omvang van die matiging. De Hoge Raad werd onder andere gevraagd of in geval van matiging aansluiting zou moeten worden gezocht bij de staffel Buitengerechtelijke Incassokosten (BIK-staffel) die dwingendrechtelijk geldt in geval van consumentenzaken, of bij een in de branche gebruikelijk tarief, bijvoorbeeld het in dit geval geldende tarief van 15 %.

De Hoge Raad stelt bij de beantwoording van deze vragen voorop dat de matigingsbevoegdheid van de rechter op grond van artikel 242 Rv ook van toepassing is op buitengerechtelijke incassokosten. De rechter mag het bedrag matigen tot “het bedrag van een redelijke schadeloosstelling”. De rechter dient de toepassing van de matigingsbevoegdheid te motiveren, maar aan de motivering worden geen strenge eisen gesteld. De rechter houdt bij zijn beslissing rekening met de omstandigheden van het geval.

Het staat de rechter vrij om, wanneer hij tot matiging overgaat, aan te sluiten bij de BIK-staffel, ook al is de BIK-staffel in B2B-relaties slechts van aanvullend recht. Dit kan aan de orde zijn indien niet gesteld is, of in geval van betwisting niet aannemelijk wordt gemaakt, dat de werkelijke buitengerechtelijke incassokosten hoger zijn dan het bedrag dat op basis van de BIK-staffel zou worden toegewezen. De rechter heeft hier beoordelingsvrijheid.

Aansluiting bij in de branche gebruikelijk tarief

Op de prejudiciële vraag of bij het bepalen van de buitengerechtelijke incassokosten een in de branche gebruikelijk tarief tot uitgangspunt moet worden genomen, antwoordt de Hoge Raad dat een incassopercentage dat gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen opereren, of dat door de schuldenaar zelf in de verhouding tot zijn schuldenaren wordt gehanteerd, één van de in aanmerking te nemen omstandigheden kan zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van buitengerechtelijke incassokosten. Niet kan echter worden aanvaard dat een dergelijk percentage daarbij in beginsel als uitgangspunt zou moeten dienen. Met dat uitgangspunt zou immers afbreuk worden gedaan aan de strekking van art. 242 Rv (matiging tot een “redelijke schadeloosstelling”) en aan de rechterlijke beoordelingsvrijheid.

Door schuldeiser verschuldigd incassotarief

Het maakt geen verschil of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen incassopercentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd. Ook een dergelijke afspraak kan één van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten waarop de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.

Conclusie

De prejudiciële beslissing van de Hoge Raad geeft handvatten bij het incasseren van buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relaties. In afwijking van hetgeen geldt in consumentenzaken, waarbij een forfaitair tarief geldt dat afhangt van de hoofdsom van de vordering en dat incasseerbaar is na verzending van een ‘veertiendagenbrief’, geldt in B2B-relaties dat een vordering tot vergoeding van contractueel bedongen buitengerechtelijke incassokosten niet per definitie zal worden toegewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten kunnen naar de beoordelingsvrijheid van de rechter worden gematigd tot een ‘redelijk’ bedrag, waarbij het de rechter vrijstaat om alle omstandigheden van het geval mee te wegen. De Hoge Raad wil niet aanknopen bij één uitgangspunt, maar geeft de rechter de vrijheid alle omstandigheden in zijn beslissing mee te wegen.

In de praktijk zullen schuldeisers moeten aantonen dat gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werkelijk zijn gemaakt, althans dat deze redelijk zijn in verhouding tot de werkzaamheden die ervoor zijn verricht. Een duidelijk onderscheid met consumentenzaken, waarbij verzending van de veertiendagenbrief voldoende is om tot incassering te kunnen overgaan.

Voor schuldenaren geldt dat wanneer zij worden geconfronteerd met een vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, het wellicht loont om daartegen verweer te voeren. Een beroep op matiging is kansrijk indien de redelijkheid van de gevorderde kosten kan worden betwist. Het is dan immers aan de schuldeiser om te onderbouwen dat de gevorderde kosten ook echt redelijk zijn.

Bron : mr. Bond-Stroek

Gerelateerde artikelen

Branche brede code lijkt ver weg

Branche brede code lijkt ver weg

VCMB leden hebben vanuit de verschillende creditmanagement sectoren onderzocht of een eenduidige gedragscode voor de creditmanagement branche mogelijk...

© 2018 VCMB Maatwerk software door Way2Web

Wanneer onderneemt u actie bij het signalen van betalingsachterstanden?

Laden ... Laden ...